Maidentrip 2008

Wij vertrekken ’s morgens om 8:15 uur met de trein naar Dordrecht. Wij hebben onze nieuwe vouwfietsen en een paar rugzakken bij ons met de hoogst noodzakelijke spullen. Donderdag hebben we al een aantal zaken aan boord gebracht, toen we met de auto in Dordrecht waren in verband met de overdracht. We moeten via Zwolle, omdat er werkzaamheden zijn aan het spoor tussen Almelo en Deventer (Het zal eens niet zo zijn…) en dat levert ons een extra reistijd op van een uur. Om 11:45 uur arriveren we op station Dordrecht. We zetten onze fietsen in elkaar en vertrekken naar de jachthaven. Na aankomst en na alles aan boord te hebben gebracht, beginnen we aan de voorbereidingen voor onze reis. Tegen 14:00 uur zijn we zover. Erg spannend! Hoe vaak heb ik de eerste manœvre met de boot al wel niet gedaan in mijn gedachten.

Zaterdag 31 mei
De boot ligt in een box met de punt naar voren en tussen de palen en in de volgende rij boten tegenover ons is maar net genoeg ruimte. We gooien de trossen los en heel voorzichtig vaar ik de boot achteruit. Gelukkig staat de wind gunstig. Die blaast de punt precies de goede kant op en zonder kleerscheuren varen wij uit jachthaven Westergoot in Dordrecht. Eerst gaan we stuurboord uit het Wantij op, want we moeten eerst tanken. We hebben een pak contant geld meegenomen, omdat we gewaarschuwd waren dat je daar niet pinnen kunt. Ik wil voor € 750,– tanken. Dat is ongeveer 500 liter. De tankbaas vindt dat wel een beetje veel. Hij is zeker bang niet genoeg over te houden voor de overige klandizie. Wij tanken 335 liter diesel voor € 500,–, meer dan genoeg om mee naar huis te komen. Inmiddels heeft de tankbaas een pinautomaat laten aanleggen, dus hadden we niet met zo’n pak geld hoeven rondlopen. Om er weer van af te komen, betalen we met papier. Daarna keren we en varen terug in de richting vanwaar we gekomen zijn. Aan het eind van het Wantij schutten we naar boven in de Ottersluis en gaan bakboord uit (linksaf) de Merwede op. Pfff! De eerste hindernissen zijn genomen. Het is erg rustig, weinig beroepsvaart, en we schieten lekker op. Op een gegeven moment komen er twee snelvarende plezierboten voorbij. Ze zwaaien vriendelijk, maar laten een enorme hekgolf achter, waar we met onze boot in terecht komen. Het schip slingert heftig en even denk ik dat we kapseizen. Gelukkig valt het allemaal mee en ik zwaai grimmig terug. Tegen 18:00 uur komen we aan in Gorinchem en gaan naar bakboord, de Grote Sluis in. Het verval is minimaal en even later varen wij op het Merwedekanaal. Er zijn een aantal op afstand bedienbare bruggen, die voor ons open moeten en voor het eerst maak ik aarzelend gebruik van de marifoon, het communicatiemiddel op het water. Eigenlijk mag ik dat nog niet, want ik heb geen marifooncertificaat. Op zaterdag 14 juni doe ik examen. Het loopt al tegen 19:00 uur als wij net ten noorden van Arkel bij een spoorbrug stranden, die niet meer bediend wordt. Wij besluiten hier de nacht door te brengen. We leggen aan tegen de bakboordkant, die hoort bij een afgesloten industrieterreintje. Het is er erg rustig en veilig. Er is geen scheepvaart en de treinen horen we bijna niet. Een eindje verderop is een soort schuur waar een aantal jongelui zitten te feesten met muziek erbij, maar we hebben er geen last van. We komen er achter dat de boot goed tegen geluid is geisoleerd. Erg prettig!

Zondag 1 juni
Tegen 9:00 uur staan we op en we ontbijten voor het eerst in onze kombuis. Het is allemaal effe wennen, maar erg aangenaam. We hebben goed geslapen in ons nieuwe bed. Tegen kwart voor tien zie ik plotseling dat de spoorbrug op groen springt. Hij gaat open! Vlug start ik de motor en onze tweede vaardag begint. Wij vervolgen het Merwedekanaal tot Vianen, waar we weer bij een brug komen en daarachter de sluis. Ik roep op kanaal 22 de brugwachter op en hij laat ons binnen. Na de sluis steken we de Lek over om in de volgende sluis terecht te komen: de Beatrixsluis van de Lek naar het Amsterdam-Rijnkanaal. We hebben zes dagen en willen niet meteen naar huis varen, maar alvast flink genieten van ons nieuwe bezit en ervaring opdoen. We hebben besloten naar de Hollandsche Vecht te gaan en ergens bij Maarssen aan te leggen om een vriendin uit Bilthoven de gelegenheid te geven ons te bezoeken. Voor het eerst maken we kennis met een ècht grote sluis. Het water in de sluiskolk is erg turbulent door het schroefwater van de vrachtschepen en het is moeilijk om de boot aan de sluismuur te leggen. De eerste verfschilfertjes blijven op de muur achter. Nadat we geschut zijn, komen we op het Amsterdam-Rijnkanaal. Dit kanaal kun je vergelijken met een wastobbe waar vijf kinderen in zitten te spelen. Het water is niet bepaald rustig en er moet veel aan het roer worden gedraaid om op koers te blijven. Ter hoogte van Maarssen gaan we stuurboord (rechtsaf) onder een bruggetje door en een sluis door. Het bruggetje is te laag voor ons, dus moet ik de mast laten zakken. Daar onstaat ook voor het eerst lichamelijke schade in de vorm van een kras in mijn gezicht van een mastdeel. Man, wat is dat ding zwaar! Op deze manier komen we terecht op de Hollandsche Vecht, een heerlijk rustig riviertje temidden van veel groen en grenzend aan hofjes en aanlegsteigertjes van bewoners langs de kant. Een eindje verderop vinden we een prachtige aanlegplek bij een klein parkje en na de boot gekeerd te hebben leggen we daar aan. Het is heerlijk toeven op het achterdek en we zwaaien ons de arm uit de kom naar alle passerende pleziervaart. Een telefoontje naar onze vriendin levert op dat ze geen auto tot haar beschikking heeft en ze dus niet komen kan. Vroeg in de avond komt er een gemeentebeambte bij de boot om het liggeld te incasseren: € 0,50 per meter. Hij berekent 12 meter, dus betalen we € 6,- voor de nacht.

Maandag 2 juni 2008
De volgende dag ontwaken we voor de tweede keer op onze boot. We zetten de fietsen op de wal en gaan op zoek naar een winkelcentrum. Bij de Hema kopen we een onderlaken en een hoeslaken voor op bed, want het lakentje wat er op ligt schuift steeds weg. Wij kopen ook een koekepan om fatsoenlijk vlees te kunnen braden. We eten een paar broodjes in de koffiecorner en daar ontstaat verder lichamelijk letsel in de vorm van een afgebroken tand in mijn voorgevel. Ik miste er al één en nu zie ik er uit als een zwerver. Met mijn bovenlip zo ver mogelijk naar beneden verlaten we de Hema en na een bezoekje aan de supermarkt fietsen we terug naar de boot. Het is warm, erg warm. Tegen tweeën gooien we de trossen los en varen op onze ‘schreden’ terug. Na het passeren van de sluis in het Amsterdam-Rijn kanaal gaan we bakboord uit de Lek op, richting huis. Het is een mooie brede rivier met weinig scheepvaart. In de beroepsvaart wordt het ‘het fietspad’ genoemd. We varen tegen de stroom in en niet sneller dan 8 à 9 km/u. In de Lek zijn een aantal stuwen, die al naar gelang de waterstand open of dicht zijn om de hele rivier bevaarbaar te houden. Vanwege de lage waterstand zijn de stuwen gesloten. Bij iedere stuw is een grote sluis, dus moeten we schutten. De eerste sluis is Hagestein. Het verval is zo’n 5 meter. We varen stroomopwaarts, dus gaan we 5 meter de lucht in. Het wordt laat en we gaan op zoek naar een ligplaats voor de nacht. We komen uit op het Eiland van Maurik, een enorme zandafgraving wat is verworden tot recreatieplas. Er zijn een paar jachthavens en we vinden een leuke passantensteiger in één ervan. We worden vriendelijk onvangen door een aardige kerel met een baard die ons helpt aanleggen. Even later komt de uitbater van de jachthaven om het liggeld te incasseren. We betalen € 0,75 per meter, dus  9,-- inclusief walstroom. Ik kook en we eten op dek. Wat is het leven toch goed! Later op de avond komt er een gigantische onweersbui over ons heen, dus sluiten we snel alle luiken en ramen. Het houten dakluik blijkt te lekken, dus daar moeten we snel met de verfkwast bij. Het spreekwoord luidt: ‘Koop een boot en werk je dood’. Daar zit wel wat in, want we hebben wel in de gaten dat er altijd wel wat te klussen valt aan boord. We hebben inmiddels al wel een paar dingen ontdekt die gedaan moeten worden, maar dat vinden we niet erg. We klussen liever aan zo'n boot waar alles te overzien is en binnen handbereik, dan aan een huis waar je soms het dak op moet of diepe gaten in de tuin moet graven.

Dinsdag 3 juni
We zijn vroeg op en na het ontbijt besluiten we los te maken en onze reis te vervolgen over de Lek richting Arnhem. We mogen meteen weer sluis Amerongen in, van hetzelfde type als Hagestein. Wij leggen even aan bij de wachtsteiger en wachten tot de schepen uitgevaren zijn. Daarna gaat eerst de beroepsvaart erin. Als die binnengevaren zijn, mogen wij erachter gaan liggen. Eerst gaan de sluisdeuren achter ons dicht. Dan begint het schutten. We gaan weer zo’n meter of vijf omhoog. Nadat de sluisdeuren aan de andere kant zijn geopend, begint het uitvaren. Nu is het uitkijken geblazen, want de binnenvaartschepen voor ons hebben grote schroeven en zware motoren. Als deze zware jongens beginnen uit te varen, word je zo weggeblazen door hun schroefwater als je niet oppast, dus is het zaak de boot goed vast te leggen. Als de grote jongens een eind uit de buurt zijn, wordt het tijd voor ons om de motor te starten, de lijnen los te gooien en uit de sluiskolk te varen. Na een paar uur varen komen we bij sluis Driel, de laatste, bijna identieke sluis in de rivier wiens naam inmiddels is veranderd in de Nederrijn. In de loop van de middag naderen we Arnhem waar ons een verrassing te wachten staat. Ons schip is in 1980 gebouwd voor en heeft behoord aan de toenmalige kapitein van de J. Henry Dunant, het bekende hospitaalschip van het Rode kruis. Op een messing ring op het stuurrad in de stuurhut staat gegraveerd: ‘1980 door het personeel van de J. Henry Dunant’. Je voelt hem al aankomen natuurlijk: Aan de kade van Arnhem ligt de J. Henry Dunant! Toeval? Geen idee, maar wel frappant. Een eindje voorbij Arnhem krijgen we het punt waar de Rijn zich splitst in de Nederrijn en de IJssel. We gaan bakboord uit de IJssel op en aangezien het al tegen de avond loopt, beginnen we te zoeken naar een plek om te overnachten. De IJssel is een snelstromende en hevig kronkelende rivier met veel vrachtverkeer. De vrachtschepen die stroom op varen, willen altijd de binnenbocht nemen om zo weinig mogelijk tegenstroom te hebben en om dat kenbaar te maken tonen ze een blauw bord naast de stuurhut met in het midden een wit knipperend licht. Dat betekent dat je naar de andere oever van de rivier moet varen om aan de verkeerde kant, ‘stuurboord-stuurboord’ te passeren, dus is het uitkijken geblazen. Na een kilometer of wat vinden we de ingang van de Rheder plassen, een recreatiegebied en tevens zandafgraving. Door de sterke stroming en de tegenstroom tussen de havenhoofden belanden we met de punt te ver naar de oever en lopen we vast op de zanderige bodem. HELP! We kunnen geen kant meer uit. Gelukkig hebben we vaarles gehad van Frans, de vorige eigenaar van de boot. We zetten de koppeling in de achteruit en geven een flinke dot gas, waardoor we achterwaarts schieten en weer vrij komen. PFFFF! Dat was wel even schrikken. We willen graag in een haven aanleggen en er zijn er een stuk of wat. De eerste haven geeft niet thuis als ik bel, dus naar de volgende. Daar aangekomen varen we binnen, maar zien geen enkele aanlegplaats, dus maken we weer rechtsomkeert. Weer op de plas begint het ongenadig te plenzen en te onweren. Wederom HELP! We varen rondjes om een eilandje en als de regen iets is verminderd en dus het zicht iets is verbeterd, besluiten we een baai op te zoeken en voor anker te gaan. Alweer een nieuwe ervaring voor ons, maar gelukkig hebben we hier ook les in gehad, dus weten we wat ons te doen staat. Door een veranderlijke wind draait de boot steeds en ik ben voortdurend bang dat het anker het niet houdt. Pas na een aantal uren begin ik er een beetje vertrouwen in te krijgen. We hebben te weinig boodschappen gekocht, dus eten we maar weer brood.

Woensdag 4 juni
Het is zonnig en droog. Inmiddels is de bedrijvigheid in de zandwinning weer op gang gekomen en we besluiten tegen 10.00 uur te vertrekken. Tenslotte hebben we nog een hele reis voor de boeg. Verder gaat het weer, stroomafwaarts in de richting Zutphen. Het landschap is afwisselend. Opvallend hoeveel meer tijd je hebt om van het landschap te genieten dan op de weg. Daar gaat alles veel sneller en moet je veel meer opletten. Op het water heb je de tijd om rond te kijken en te genieten van de dingen die je ziet: een familie Eend met Kwik, Kwok, Kweuk, Kwak, Kwijk, Kwuuk, Kwoek, en Kwek, een stel koeien die af staan te koelen in de rivier, een mooi huis of een mooie toren, een stel waterhoentjes of een koppel zwanen.
Nadat we Zutphen zijn gepasseerd, moet zometeen de ingang naar de Twentekanalen komen. Ik denk dat we er zijn en gooi het roer om. Het blijkt een doodlopende haven te zijn. Een blik op de kaart leert dat we nog een eindje verder moeten. Na nog een kilometer komt de afslag in zicht. Wij draaien het toegangskanaal op naar de eerste van drie sluizen in het Twentekanaal, Sluis Eefde. We hebben geluk: er varen net twee vrachtschepen de kolk in en we mogen mee. Tjonge, wat een beetje ruimte, zeg! De vrachtschepen liggen schuin in de kolk om nog net een gaatje voor ons vrij te houden. Het is een hele toer om de boot vast aan de touwen te krijgen, maar uiteindelijk lukt het. We schutten 6 meter 50 omhoog. Wat een eind, zeg! De sluiswanden zijn vies van de alg en mijn T-shirt en mijn handen zien er niet uit. Op het achterdek staat een emmertje met water, waarin we onze handen kunnen afspoelen. Nu volgt er een eentonig stuk vaarwater. Landschappelijk gezien is het best mooi, maar het is een heel eind. Kennelijk hadden we gedacht dat de afstand kleiner zou zijn, maar we moeten nog zo’n 55 kilometer varen tot onze eindbestemming. Na Lochem varen we nog practisch alleen op het kanaal. De vrachtschepen zijn achtergebleven. We komen de hele weg tot aan de volgende sluis misschien nog drie schepen tegen. Dan passeren we de zijtak naar Almelo. Een kleine kilometer daarachter ligt Sluis Delden. Ik vraag aan de sluiswachter of we naar boven mogen schutten. In de Twentekanalen wordt er normaal gesproken voor één ‘jachie’ niet geschut. Je kunt alleen meeschutten met de beroepsvaart. De sluismeester vertelt mij dat hij voorlopig geen beroepsschip te schutten heeft, dus maken we aan bakboordwal vast en bereiden ons voor op een lange wachttijd. Tot onze verbazing zie ik ineens het licht op groen staan. Ik vraag voorzichtig via de marifoon aan de sluismeester of we in mogen varen. Dat mag. Als we in de kolk liggen en het schutten begint (zeven meter deze keer) vraagt hij of wij nog verder moeten. We vertellen dat we naar onze thuishaven Enschede willen. Hij reikt ons enkele folders uit van Rijkswaterstaat over watertourisme en belooft de sluiswachter in Hengelo even te bellen om onze komst aan te kondigen. hij denkt dat het nog wel gaat lukken. Na een paar kilometer komen we aan bij sluis Hengelo, onze laatste hindernis op deze lange reis. Ik meld me via de marifoon en de sluismeester vraagt ons even geduld te hebben. De kolk moet eerst leeg. Ze waarschuwt dat we de boot goed vast moeten leggen vanwege de enorme ‘bak water’, die uit de sluisdeur wordt gespuid. Inderdaad, na een poosje begint de sluiskolk leeg te lopen en we voelen ons net op de Rodeo. Gelukkig hebben we haar raad goed opgevolgd, dus alles gaat goed. Na een poosje gaat de onderste sluisdeur open en een enorm hoog en donker gat opent zich voor ons. Voorzichtig varen we binnen. Ik krijg nekkramp als ik naar boven kijk, negen meter! We volgen de aanwijzingen van de sluismeester goed op. Het schutten begint. Even later komt er een vrouw aangelopen met een hond: de sluismeester. Ik krijg een vermoeden dat ik deze dame ken en inderdaad, het is de vrouw van een ex-collega die een paar jaar geleden met pensioen is gegaan en die ik een paar keer aan de telefoon heb gehad. Wat een toeval! We maken tijdens de lange schuttijd een gezellig praatje en na het openen van de bovenste sluisdeur opent zich voor ons het laatste traject: Hengelo-Enschede. Nu is het nog een kwartiertje varen. Ik bel de voorzitter van de Enschedese Watersport verenining, waar we sinds kort lid van geworden zijn en vraag om een ligplaats. Hij vertelt mij waar we onze boot mogen neerleggen en na een reis vanvijf 5 dagen naderen we onze eindbestemming. We maken vast op een plek, waar onze boot nèt kan liggen. Als we vastgemaakt hebben, zetten we de tafel en de stoeltjes op het achterdek en drinken samen een biertje op de goede afloop. Na een poosje komt de voorzitter aanlopen en heeft een paar mannen in zijn kielzog. De begroeting is hartelijk. We zijn thuis! Afgezien van een paar verfschilfers, een kras op mijn gezicht en een fietsenstalling in mijn mond hebben we het er goed afgebracht. We zetten de fietsen overboord en gaan eerst naar een dichtbij gelegen restaurant om eens goed te eten. Daarna gaan we terug naar de haven, waar we nog even onze opwachting maken in de kantine om ons gezicht te laten zien en alvast kennis te maken met een aantal leden. We brengen de nacht nog door op de boot en gaan de volgende dag naar huis.
De overgang is groot: we zijn de afgelopen dagen al aardig gewend aan het leven aan boord van ons prachtige schip.