Zeelandreis 2009

Verslag van onze reis richting Zeeland, februari 2009. Wij maken een korte reis van dertien dagen richting de Steenbergse Vliet. Wij willen geen jachthavens aandoen om te overnachten.

18-2
Na een laatse bezoek aan arts en apotheek besluiten we in de middag alvast te gaan varen. Na eerst water te hebben getankt, maken we tegen 15:30 uur los in de jachthaven van Enschede en varen richting sluis Hengelo. Er is voor die dag geen beroepsvaart meer te verwachten, dus besluit de sluismeester om ons meteen maar te schutten. Mazzel! Na sluis Hengelo varen we richting sluis Delden, alwaar we tegen 17:30 uur aankomen. Ik vraag de sluismeester of we hier mogen overnachten en hij geeft ons aanwijzingen om aan de ‘binnenkant’ van de remming vast te maken en wenst ons een prettige avond. De zonsondergang is prachtig om te zien. Het firmament kleurt dieprood, hier en daar gelardeerd door donkergrijze wolkenflarden. Tegen 22:00 uur wordt er nog geschut. Daarna wordt het rustig.

19-2
Om 10:30 uur vragen we om een schutting. Er komt net een vrachtschuit aan en daar mogen we achter gaan liggen. Na sluis Delden komt het tamelijk lange en saaie stuk Twentekanaal tot aan sluis Eefde. Onderweg zien we achter ons zowaar een viskotter met de netten aan weerszijden aan de mastbomen. Wat doet die hier nou op het Twentekanaal, vragen wij ons af. We besluiten dat hij vist op zoetwaterharing met een grondsmaak. Bah! Bij sluis Eefde moeten we even wachten op het binnenvaartschip wat vlak achter ons vaart. Na een korte pauze mogen we weer mee in de sluiskolk. Na een paar kilometer komen we bij het kruispunt van het Twentekanaal en de IJssel. Wij draaien bakboord uit stroomopwaarts richting Arnhem. We passeren Zutphen en kruipen in een slakkegangetje verder, tot we eindelijk een plek vinden. Dat is een inhammetje bij Dieren waar een steiger is van de plaatselijke padvindersvereniging. Er staat een bordje ‘Verboden aan te leggen’, terwijl hij wel als aanlegplek vermeld staat op de ANWB waterkaart. We trekken er ons lekker niets van aan en leggen de boot aan de steiger, die trouwens niet eens met de wal verbonden is, dus een knappe vent die ons weg komt jagen. Telkens als er een schip voorbij vaart gaat onze boot tekeer, maar we zijn zo moe dat we er geen hinder van hebben.

20-2
Het weer is behoorlijk opgeknapt en we besluiten uiteindelijk toch om weer te gaan varen. Tegen 10:30 uur vertrekken we en vervolgen onze weg over de IJssel richting de IJsselkop bij Arnhem, waar we stuurboord uit willen, de Nederrijn op, dit keer stroomafwaarts. Onderweg komen we een paar bekenden tegen, namelijk de Anita en de Gaasperland, twee vrachtschepen die regelmatig Enschede aandoen. Wij gaan boven sturen, omdat we daar meer overzicht hebben en om het dragelijk te houden, zetten we er een ventilatorkacheltje bij. Na een redelijk ontspannen opvaart ronden we de kop van de IJssel en belanden op de Nederrijn. We komen van de forse tegenstroom (zeven km/u) op de stroom mee (veertien km/u). Het lijkt wel of we ineens vliegen! Erica besluit nog een kopje koffie te gaan zetten en komt plots weer boven om te vertellen dat we geen stroom meer hebben. Het ventilatorkacheltje heeft onze accu’s leeggetrokken! Dus maar snel het kacheltje uitgezet en even een kwartiertje wachten tot de dynamo weer wat stroom in de accu’s heeft gepompt. Daarna hebben we weer stroom en doet het koffiezetapparaat het gelukkig weer zodat we even later een bakkie leut kunnen drinken. Voor we het in de gaten hebben zijn wij Arnhem voorbij en na een uur of vijf varen besluiten we de sluismeester bij sluis Driel te vragen of we mogen overnachten.Ggeen probleem, er is een passantensteiger aan de bovenkant achter de remming, alwaar we om 15:15 afmeren. Nog even de generator gestart om de accu’s op te laden en even later zitten we met een glas drinken.

21-2
We besluiten om vandaag niet te gaan varen. We liggen prima achter de sluis in Driel. We kijken op een mooi bos waar middenin de Westerbouwing ligt en het plaatsje Heveadorp, goed te fietsen vanaf hier. Dat doen we echter niet, want we gaan klussen aan boord. De bilge moet leeggepompt. We gaan onder de douche en maken schoon bed. Er wordt gewassen en gedroogd en na een middagpauze gaan we even een wandelingetje maken naar de sluis met stuw. De wandeling doet goed. Het is wel koud, maar het zonnetje laat zich zowaar nog even zien. Erica was wel iets te optimistisch voor wat betreft haar voet, die danig parten begint te spelen. Het duurt dan ook niet lang voor we weer terugkeren naar de boot. Wel een leuk gezicht onze boot vanaf de sluis aan de passantensteiger te zien liggen. Vanaf deze hoek en afstand hebben we hem nog nooit aanschouwd. Helaas heb ik het fototoestel weer thuis gelaten. Ik ben me toch ook zo’n fotograaf! We vinden het wel een idyllisch plaatje met dat winterse bos op de achtergrond. Ik bereid een maaltijd met de laatste verse ingrediënten die we aan boord hebben. We kijken nog wat tv en gaan vroeg naar bed.

22-2
We maken los en even later kunnen we de sluis binnenvaren. Het is meestal rustig op het ‘Fietspad’, zoals de schippers de Nederrijn en de Lek noemen. Vandaag is het zondag en er is bijna geen schip te bekennen. We hebben stroom mee en met 1500 toeren lopen we zo’n 14,5 km/u. Na anderhalf uur varen volgt sluis Amerongen, waar we vlot in kunnen varen. Naarmate de dag vordert, verbetert het weer. Het zicht wordt beter en af en toe is door de wolkenlaag de zon iets zichtbaar. Er staat wel een forse wind, kracht 3 tot 4 uit het Noordwesten. Af en toe staat er een flinke golfslag en spat het boegwater tot tegen de ramen van de stuurhut. Na nog eens anderhalf uur volgt sluis Hagenstein, waar we ook snel geschut worden. We varen niet verder dan Vianen, draaien aldaar bakboord uit de monding van het Merwedekanaal in en maken om 15:15 uur vast aan de passantensteiger voor de Grote Sluis. Als wij dachten dat wij de enige gekken waren die voor hun plezier rondvaren, hebben we ons vergist. Er komt nog een plezierjacht aan de andere kant van de steiger liggen. Nou, plezierjacht, zeg maar rustig PLEZIERJACHT. Tjonge, wat een schuit! Het lijkt wel een soort rondvaartboot. Als Erica helpt met aanleggen, hoort ze dat er twee volwassenen en vijf kinderen aan boord zijn. De generator moet nog tot een uur of tien draaien, vertelt de schipper. Daarna belooft hij stilte. De rest van de avond brengen we door bij de televisie. Morgen gaan we benzine kopen voor de generator en andere brandstoffen voor onszelf in de supermarkt.

23-2
We blijven vooralsnog aan de buitenkant liggen, zetten de generator aan en de wasmachine. Na de tweede was zetten we de droger aan en maken de trossen los om door de sluis te varen. Wij worden vlot geschut door sluis Vianen en nadat we op het Merwedekanaal beland zijn, draaien we na 500 meter stuurboord uit de passantenhaven in. Onderwijl snort de generator en bromt de droger dat het een lieve lust is. Eerst giet ik de rest van de benzine van de jerrycan in de generator, vervolgens zet ik de fietsen overboord op de steiger, dan nemen we de twee jerrycans mee en fietsen naar het dichtstbijzijnde pompstation. Nadat we 20 liter benzine hebben gekocht brengen we eerst de jerrycans aan boord. Intussen is de droger gestopt en de accu’s zijn weer vol, dus kan de generator weer uit. Vervolgens stappen we wederom op de fiets en gaan naar het winkelcentrum om inkopen te doen. Met twee tassen boordevol fourage komen we weer terug. Zo, dat moet weer genoeg voorraad zijn voor de komende paar dagen. We hebben de hele steiger voor onszelf en de fietsers die voorbij komen kijken verbaasd naar ons. Tja, zoveel plezierjachten zie je niet rond deze tijd van het jaar.

24-2
Tegen 10:00 uur vervolgen we onze reis over het Merwedekanaal richting Gorinchem. Na een aantal beweegbare bruggen komen we bij de spoorbrug bij Arkel. die twee keer per uur op vaste tijden opengaat. We hebben het goed uitgemikt, want we hoeven maar vijf minuten te wachten. Vlak achter de spoorbrug komt er een splitsing. Wij willen rechtdoor, maar we worden door post Dordrecht verzocht linksaf te gaan, over de gekanaliseerde Linge. Wel een leuk stukje varen, maar er zit wel een vaste brug in van vijf meter. Daar passen we met onze mast niet onderdoor dus moeten we de mast laten zakken, een zwaar karwei, maar er zit niets anders op, dus ga ik naar buiten, terwijl Erica het roer overneemt. Na een mooi stukje natuur varen we op een gegeven moment Gorinchem binnen, waar we stuurboord uitdraaien onder de hefbrug door, die in gesloten toestand vier meter doorvaarthoogte heeft. Aangezien de mast nog plat ligt, laten we de brugwachter met rust, zodat-ie mooi zijn krantje kan uitlezen waar-ie mee bezig is. Onder de brug door draaien we bakboord naar de Grote Merwedesluis. Wederom worden wij vlot geschut en even later gaan we stuurboord uit de Merwede op richting Dordrecht. De rivier is gigantisch breed en we zien uitsluitend grote binnenvaartschepen. Er staat een behoorlijke golfslag, want we hebben een flinke wind op de kop. Het water schuimt en spat over de reling. Voor de zekerheid halen we de olielampen van het plafond om te voorkomen dat ze door de ruiten slaan. Het schip houdt zich prima op de golven. Na een paar kilometer komen we bij het punt waar de Nieuwe Merwede zich afsplitst naar het zuiden. Wij gaan deze vaarweg in en na weer een paar kilometer draaien we bakboord de monding van het Steurgat in, richting Biesboschsluis, maar eerst wordt er getankt bij het bunkerstation, dat aan de linkerkant op ons ligt te wachten. Wij bunkeren 200 liter diesel, betalen € 220,– met behulp van de aanwezige pinautomaat en maken weer los. Op kanaal 18 roep ik de sluiswachter op, die meteen de sluis voor ons klaarlegt. Na een metertje afgeschut te zijn, varen we de Brabantse Biesbosch in. We vinden een eind verderop een mooie aanlegsteiger, waar we tegen 15:00 uur vastmaken. We moeten met het vastleggen van de boot rekening houden met het tij, welk plaatselijk ongeveer 40 cm bedraagt. De stilte en de rust op deze plek is overweldigend. Behalve een boerderij een kilometer verderop en de altijd aanwezige watervogels en een enkele mug die probeert dwars door de ramen te vliegen, is hier geen levende ziel te bekennen. Na de gebruikelijke werkzaamheden aan het schip na het vastleggen drinken we een glaasje wijn, waarna we even gaan liggen om te rusten. Na het invallen van de duisternis valt het ons op hoe donker het hier is. Dat zijn we niet meer gewend, want overal waar je komt branden 's nachts wel lampen. Hier branden alleen onze eigen lampen. Verder heerst er absolute duisternis.

25-2
Omdat we vermoeid wakker worden, besluiten we nog een dag te genieten van de serene rust van deze prachtige omgeving. De hele tijd zien we slechts vier schepen voorbij komen, drie vrachtschepen en één scheepje van Rijkswaterstaat. Verder zien we alleen maar natuur, mooie rietvelden, wuivend in de wind, prachtige watervogels. Op een gegeven moment zit er een tweetal watervogels met prachtige kleurschakeringen op de steiger. Geen idee wat voor soort dit is. Het lijken ganzen, maar deze heb ik nog nooit gezien. Zou het de Biesboschgans zijn? In tijgersluipgang crawlt Erica naar de eigenaarshut om het fototoestel op te scharrelen, dat diep onderin het kastje onder de wastafel verborgen ligt. Met gevaar voor haar voet weet ze het boven water te krijgen en met het hoofd onder het raamniveau reikt ze me het aan. Bukkend achter de gitaren steek ik voorzichtig mijn arm met het fototoestel omhoog en maak een paar opnames. Even later ga ik gewoon staan, Erica ook. Ze kijken nauwelijks naar ons! Zitten wij ons in allerlei bochten te wringen om ze niet weg te jagen, blijven ze gewoon zitten. Ik maak nog een paar plaatjes voordat de batterijen het begeven. Het is verder een ontspannen dag. ís Avonds kook ik een lekker maaltje en na het eten spreken we af hoe we morgen onze dag indelen.

26-2
Krijg nou wat! Het zonnetje schijnt zowaar als we wakker worden. We worden er meteen vrolijker van. Er staat een stevige wind, kracht drie tot vier met hier en daar een uitschieter naar vijf. Na de sluis varen we de Nieuwe Merwede op richting Kop van de oude Wiel, waar we even later bakboord uit gaan de Beneden-Merwede op richting Dordt. Het water is ruig en de drukke scheepvaart is er mede debet aan dat er een flinke golfslag staat. We hebben de wind, die af en toe uitschiet naar kracht zes, op de kop. Het boegwater vliegt ons om de stuurhut. Na ongeveer een uur naderen we de haveningang, waar we willen proberen een paar uur aan te leggen. We steken de drukke rivier over en aangekomen in de Riedijkshaven blijkt al meteen dat we niet welkom zijn, want er staat een groot bord Verboden voor Sport (pleziervaart). We varen er toch even in, maar de kade is niet bepaald geschikt voor kleine bootjes zoals de onze en we maken rechtsomkeert. We varen nog even het Wantij in, maar daar zijn we ook niet welkom. Langs de verkeerde wal ronden we de bocht in de rivier langs de huizen wier balkonnetjes boven het water uitsteken en passeren we nog een bunkerboot, voordat we aankomen bij de Nieuwe Haven. Om binnen te komen, moeten we door een brug die veel te laag voor ons is en waarvoor we een opening vragen bij Post Dordrecht. Geen probleem, even later passeren we de brug en vrijwel meteen aan stuurboordzijde zien we een prachtige, splinternieuwe aanlegsteiger van de Dordtse RV&ZV. We mogen even een paar uurtjes aanleggen. We bellen Arthur, onze scheepsmakelaar, en vertellen waar we liggen en even later zitten we gezellig bij te kletsen onder het genot van koffie en bokkepootjes. De tijd vliegt. We moeten voor half vijf weer weg zijn, omdat de brug anders niet meer bediend wordt. We nemen hartelijk afscheid en varen de haven uit om bakboord uit de rivier op te draaien. We gaan in de afvaart richting één van de drukste waterkruispunten van Nederland. Op de waterkaart staat een ligplaats vermeld in de gemeentehaven van ’s Gravendeel. We varen binnen, maar de jachtsteiger wordt geheel in beslag genomen door een groot binnenvaartschip, dus varen we onverrichterzake verder. Na een kilometer of twee komt de volgende gelegenheid, de Overlighaven van de Wacht. Deze keer hebben we meer geluk. Achterin de haven is een speciale jachtensteiger, die, zoals gebruikelijk dit jaargetijde, geheel leeg is. We leggen aan en even later melden we ons bij Post Dordrecht om te laten weten dat we hier de nacht doorbrengen. Het is hier heel wat rustiger liggen dan in het centrum van Dordrecht, waar in de haven nog een behoorlijke golfslag te bespeuren was. De hele avond varen er grote, en dan bedoel ik ook GROTE, schepen voorbij in de naastgelegen Dordtse Kil.

27-2
Na een ontbijt en wat voorbereidingen vertrekken wij tegen 10:15 uur. Het is miezerig weer en het zicht is niet optimaal. Daarom schakel ik de radar in en zet ik de pda met de waterkaarten van de ANWB op de stuurstand om precies te kunnen zien waar we zijn. Wij melden Post Heerjansdam, die de regie heeft over de Moerdijk, wat onze plannen zijn en draaien in de opvaart de Dordtse Kil op richting Hollandsdiep. Er is druk scheepvaartverkeer. Wij komen veel kustvaarders tegen. Na een half uur komen we aan bij het Hollandsdiep. Wij melden de post dat we bakboord uit gaan richting de Moerdijkbruggen. Wij worden bedankt voor de melding en de post wenst ons een prettige reis. We steken het brede vaarwater over en houden na de twee bruggen de stuurboordwal aan, waardoor we op de Amer terecht komen. Na weer een half uur passeren we de Amercentrale en na de plek waar de rivier de Donge in de Amer uitmondt, komen we terecht op de Bergse Maas. Vanaf nu is het plotseling rustig qua scheepvaart. We worden niet één keer opgelopen en we komen slechts enkele schepen tegen. Het rivierlandschap bestaat uit groene oevers met grazende schapen, af en toe onderbroken door een gebouw, variërend van fabriek tot landhuis. De hele dag blijft het grijs en mistig. Dit, in combinatie met het weinig afwisselende landschap, maakt de reis een beetje saai. Op de kaart hebben we gezien dat er maar weinig aanlegplaatsen worden aangegeven. De eerstvolgende die voor ons in aanmerking komt, is in Heusden. Wij schatten dat we daar tussen 14:30 en 15:00 uur zullen aankomen. En inderdaad, tegen 14:50 varen wij de havenmonding van Heusden in. Volgens de kaart moeten we onder het ophaalbruggetje door, dat niet wordt bediend en wat een doorvaarthoogte heeft van 4 meter. Op zich is dat geen probleem, echter, op het bord aan de remming staat geschreven dat wij ons bij aankomst moeten melden bij de havenmeester van de plaatselijke watersportvereniging. Voor een overnachting zouden we dan € 1,40 per meter moeten betalen. We hebben nu eenmaal op deze reis de afspraak gemaakt dat we uitsluitend zouden overnachten op vrije aanlegplaatsen. Het enige wat we nodig hebben is een steiger met twee bolders om aan te meren. De foutieve melding op de kaart betreurend maken wij rechtsomkeert en steken bijna recht de Maas over om het Heusdens kanaal in te varen. Een kilometer of twee verder is een krakkemikkig aanlegsteigertje aan de achterkant van een restaurant waar we tegen 15:50 uur vastmaken. Even twijfelen we aan de stevigheid van het geheel, maar als we constateren dat alles heel blijft nadat er een binnenvaartschip met flinke snelheid is gepasseerd, geloven we het wel en zetten de motor stop.

28-2
Het is nog vroeg als ik opsta. Terwijl Erica nog slaapt, tref ik alvast zachtjes de voorbereidingen voor onze vaardag vandaag. We moeten nog een heel eind naar Enchede, dus proberen we vandaag zo ver als mogelijk te komen. Na een gezamelijke kop koffie start ik tegen 9:30 uur de motor. We varen terug naar de Maas en gaan linksaf richting de Prinses Maximasluis nabij Lith. We hebben de waterkaarten bestudeerd en hebben een aantal mogelijke aanlegplaatsen gevonden, die we eventueel kunnen bereiken. We hebben dringend behoefte aan een supermarkt of iets dergelijks, want we zijn door onze verse voorraden heen. Het weer is wat vriendelijker dan gisteren en naarmate de dag vordert, wordt het warmer. Tegen twaalven is het boven in de stuurhut zo’n 18 graden en we besluiten om naar boven te verhuizen. Erica neemt het roer over en ik verdwijn nog even op de bank om wat uit te rusten en naar mijn favoriete radioprogramma te luisteren. Na een poosje komen we bij de sluis aan. Vanaf een afstandje is te zien dat de deur aan de andere kant open staat. Ik roep de sluis op en de sluiswachter begint de sluis andersom te zetten. Na een poosje kunnen we binnen varen en we stijgen zo’n 3,5 meter. Tegen drieën verschijnt Batenburg aan onze linkerzijde, een dorp met een aanlegmogelijkheid. Als we aanleggen, merken we dat de steiger half verrot en vies is, maar goed, we willen boodschappen en na allebei een rugzak te hebben gepakt, trekken we onze wandelschoenen aan en gaan op pad. In het dorp is weinig te beleven en we zien in ieder geval geen winkels. Er staat een jongedame op het punt in haar auto te stappen en wij vragen of zij ons kan vertellen waar de supermarkt is. ‘Die is er niet.’ antwoordt zij vriendelijk. Ze vertelt ons dat de eerstvolgende supermarkt acht kilometer verderop is. Tja, daar zakt ons de moed van in de wandelschoenen. Onverrichterzake keren wij terug naar de boot. Na kort overleg besluiten wij verder te varen. Slechts enkele kilometers verderop is er een aanlegsteiger bij een hotel in een zij-arm. Als wij daar aankomen, blijkt het een kopsteiger te zijn met kleine vingersteigertjes, die alleen geschikt zijn voor kleine bootjes. Wij kunnen daar niet aanleggen, dus blijft er ons niets anders over dan verder te varen. Ondertussen is de kachel uitgegaan. De volgende mogelijkheid, vermoeden wij, is sluis Grave. Ik vraag de sluismeester of wij hier kunnen overnachten. Dat kan. Hij adviseert ons eerst naar boven te schutten, omdat we daar aan de binnenkant van de remming kunnen gaan liggen. Dus schutten wij eerst waarna wij uiteindelijk tegen half zes de boot vast kunnen leggen en de motor stoppen. De komende dagen zullen we ons tegoed moeten doen aan noodrantsoenen, dus trek ik een blik open. Daarna maakt Erica de branderpot schoon met de oude ketelstofzuiger die wij hier speciaal voor gebruiken. Daarna steekt ze de boel opnieuw aan en verwijderen we de roetsporen van onze huid. Na een poosje wordt het weer aangenaam warm aan boord en kunnen we eindelijk gaan zitten uitpuffen. Ondertussen staat de sluis op dubbel-rood dus die wordt niet meer bediend. Geen scheepvaart meer, dat betekent een rustige avond c.q. nacht.

1-3
We zijn allebei aan een rustdag toe, dus besluiten we vandaag aan het eind van de remming van sluis Grave te blijven liggen, die enkele honderden meters uitsteekt. In de loop van de dag begint de zon te schijnen, dus halen we de hoes van het dakluik, waardoor het zonlicht naar binnen kan stromen. Ik ga op Internet op onderzoek uit en ontdek dat er in Overasselt, een dorpje aan de noordoever, een cafetaria is. Er is alleen nog blikvoer en we hebben wel zin in iets ‘fatsoenlijks’ in de maag, dus worden de fietsen overboord gezet en uitgevouwen. Wij fietsen over de remming naar de sluis, wat een beetje lijkt op het programma Fiets em er eens in, want het pad is smal en wordt slechts aan één kant begrensd door een hekwerk. Aan de andere kant is zes meter diep en steenkoud water. Een klein moment van onoplettendheid kan tot een ramp leiden, dus kijken we strak voor ons uit en fietsen met de billen bijeen geknepen. De sluis wordt inmiddels niet meer bediend en we rijden tegen een stalen hekwerk aan. Ik klim erover en pak één voor één de fietsen aan, waarna ik Erica over de hindernis help. Als mijn blik langs het hekwerk glijdt, zie ik een paar meter verderop een grote schuifpoort. Die is niet op slot, dus de klauterpartij was overbodig geweest. Moe, maar lachend fietsen wij het dorpje in en vinden probleemloos de cafetaria annex eetcafé. We bestellen patat met iets erbij en gaan zitten. Het etablissement is gevuld met rook van de frituur, die kennelijk niet is uitgerust met een goede afzuiginstallatie. En ik dacht dat er in de horeca niet meer gerookt mag worden. Als de porties worden gebracht kunnen wij er niet overheen kijken. Nog nooit heb ik zo'n enorm bord vol patat gezien. We laten het ons lekker smaken en na een tijdje vluchten wij voor de rookoverlast naar buiten de frisse lucht in. We fietsen terug naar de boot, waar we constateren dat de kachelpijp wel erg rookt. Nou ja, we hopen maar dat het goed gaat, want anders moeten we nog een keer opnieuw beginnen met die kachel.

2-3
We worden ruw wakker geschud door heftige bewegingen van de boot. Er komt met grote vaart een binnenvaartschip de sluis uit varen en dit zorgt voor flink wat beroering. Een half uur later doen we weer onze circus-act, fietsend over de remming, en gaan de brug over naar Grave. Voorzien van twee tassen vol verse waar komen wij weer aan boord. Ik start de motor en we zetten om 9:50 uur onze reis voort in de richting Maas-Waalkanaal, dat we na enkele kilometers bereiken. We draaien bakboord uit het kanaal in en moeten even wachten bij sluis Heumen, die open staat, maar waardoor slechts éénrichtingsverkeer mogelijk is. Ondertussen komen wij er achter dat de potkachel weer is uitgegaan. Nadat wij weer varen duikt Erica onder in de machinekamer om de kachel schoon te maken en opnieuw aan te steken. Na zo’n dertien kilometer komen wij aan bij sluis Weurt. Het vloerluik staat open, waardoor we flink in de herrie zitten. Ik ben boven gaan sturen vanwege de herrie en ik roep de sluis op, die even later met een groen licht aangeeft dat we binnen kunnen varen. Wij worden vlot geschut en even later komt de Waal in zicht. Inmiddels sta ik weer beneden aan het roer en roep de verkeerspost Nijmegen op om te vertellen dat wij in de opvaart gaan. De man zegt iets, maar door de enorme herrie van de motor uit het luik kan ik er niets van verstaan. Ik had net zo goed niet op kunnen roepen. Voorzichtig varen we naar de kruising, waar we langs het gebouw van de post varen. De verkeersleider ziet ons en gebaart dat we kunnen komen, dus varen we de Waal op waar een forse stroom staat, die we tegen hebben. Ik verhoog het toerental naar 1.600 en dan nog varen we slechts 6,5 à 7 kilometer per uur. Even later komt Erica uit het luik tevoorschijn met haar bovenlichaam boven de vloer uit. Ze had de kachel gestofzuigd, maar ze was er niet van overtuigd dat-ie ook schoon was, dus wil ze het nog een keer doen. Dan komt ze er achter dat er geen stroom op het stopcontact staat, dus heeft ze zojuist de kachel gestofzuigd met de stofzuiger uit. Nadat we het stopcontact hebben ingeschakeld, begint de oude stofzuiger te loeien, waardoor de herrie nog toeneemt. Nu lukt het beter en even later komt ze weer naar boven met een triomfantelijke schreeuw dat het dit keer gelukt is. Ze is zo doof als een kwartel. Ze ziet er uit als de kolenboer, die vroeger bij ons de nootjes vier antraciet bracht. Ze heeft zich in allerlei bochten moeten wringen en is er inmiddels in geslaagd de kachel opnieuw aan te steken en de schoorsteen braakt dikke rookwolken en zwarte roetdeeltjes uit. Nadat ze weer op niveau is, gaat ze onder de douche. Dat moet geen pretje zijn, want de Waal is de grote broer van de Gelderse IJssel: flinke stroom en veel beroering in het water, waardoor je veel moet bijsturen. Dan nog daarbij de golfslag van de drukke scheepvaart, dus valt het niet mee op de been te blijven onder de douche. Ondertussen probeer ik wat meer vaart te maken door het kribbetje varen. We varen 23 kilometer stroomopwaarts, alwaar we Fort Pannerden zien liggen, het verdedigingsbolwerk uit de Tweede Wereldoorlog. We ronden bakboord uit de Pannerdense kop en belanden op het Pannerdensch Kanaal. Hier hebben we flink stroom mee waardoor onze snelheid plots toeneemt tot 17 km/u. Dat schiet op! Al snel bereiken wij de splitsing waar de Nederrijn en de Gelderse IJssel ieder hun eigen weg gaan. We houden stuurboord aan en draaien de IJssel op en na een kilometer of twee varen we ter hoogte van Velp een gewezen zandafgraving in. We kijken naar de windrichting, bepalen een geschikte plek en om 16:15 uur laten we het anker vallen. Het is wel mooi geweest voor vandaag. Na alle drukte is het hier heerlijk rustig en daar genieten we van. De zon is inmiddels verdwenen en heeft plaats gemaakt voor bewolking en het koelt aardig af. Gelukkig verspreiden de radiatoren een aangename warmte en de schoorsteen is gestopt met roken. Als wij al in bed liggen, klimt Erica er weer even uit om een pijnstiller in te nemen. Ze heeft last van haar potkachelspieren.

3-3
We zijn al vroeg wakker. Na het ontbijt halen we het anker op en tegen 9:45 uur varen we de IJssel weer op, richting Zutphen. We komen slechts enkele vrachtschepen tegen. De IJssel is vrij rustig, dus is het ontspannen varen. Omstreeks 12:30 uur varen we de Twentekanalen op en komen aan bij sluis Eefde. Ik roep de sluismeester op en we hebben geluk, want er ligt net een vrachtschip gereed om de sluis binnen te varen. Wij mogen mee naar boven en 6,5 meter hoger varen wij aan de andere kant de sluis weer uit. Nu gaan we richting Lochem. We merken dat we eigenlijk te kort hebben geslapen en zijn allebei moe. Na een uur of anderhalf komen we aan bij het passantenhaventje in Lochem. Het is een hap uit het kanaal met een afwateringsstuw. De steigers zijn smerig en groen uitgeslagen. Op een bord staat te lezen dat je je moet melden bij de havenmeester en dat er maximaal 3x24 uur gelegen mag worden. Met enige moeite leggen we het schip vast en zitten net even op de stoel, als ons schip ineens als een wilde tekeer gaat. Vlak achter ons varen vrachtschepen op volle snelheid voorbij. Komt daarbij nog de stroming van de afwatering en zo krijg je een leuke kermisattractie. Wij willen hier niet blijven, omdat we vrezen om onze avond- en nachtrust, dus besluiten we om dan maar door te varen. We maken weer los en gaan verder in de richting Delden.
Sluis Delden Na een reis van twee uur komen we aan bij sluis Delden, waar we wederom geluk hebben. We mogen meteen binnenvaren achter een vrachtschuit die net aan het invaren is. Ik vraag de sluismeester of we aan de bovenkant achter de remming mogen overnachten. Dat is geen enkel probleem en zo komen wij om 17:15 uur op dezelfde plek te liggen waar wij onze eerste nacht van deze reis hebben doorgebracht. Zo, dat was wel even flink doorbijten, maar zeker de moeite waard, want hier is het een stuk aangenamer liggen dan in Lochem.

4-3
Omstreeks 09:15 gooien we de trossen los om het laatse stuk van onze reis af te leggen. Er staat een forse wind, kracht 4 tot 5, maar het zonnetje schijnt. De lente hangt in de lucht. Anderhalf uur later komen wij bij sluis Hengelo en ik roep via de marifoon, maar ik krijg geen gehoor. Er ligt nog een zeiljacht te dobberen. Na vier keer opgeroepen te hebben, pak ik de telefoon en probeer zo in contact te komen. Vrijwel meteen wordt er opgenomen. De sluismeester verontschuldigt zich en vertelt dat hij bij het gemaal is waar ze motorschade hebben. Hij kan de marifoon daar niet horen. Een half uur later kunnen we binnenvaren en stijgen 9 meter. We varen samen met het zeiljacht op en om 12 uur precies maken wij vast aan de steiger van de Enschedese jachthaven. We hebben de watertank nu bijna leeg, dus pakken we even de slang om water te vullen en we pakken het snoer om de stroom aan te sluiten.

Onze korte vakantie zit er op. We hebben al met al toch nog 56 uur gevaren in 13 dagen tijd. We hebben via de Twentekanalen, IJssel, Nederrijn, Lek, Merwedekanaal, Merwede, Steurgat, Beneden Merwede, Dordtse Kil, Hollandsdiep, Amer, Maas, Maas-Waalkanaal, Waal, Pannderdensch kanaal, IJssel, Twentekanalen een rondje Nederland gedaan. We hebben 200 liter diesel voor de motor en de kachel en 20 liter benzine voor de generator gebruikt. We zijn geslaagd in onze opzet geen jachthavens aan te doen, maar alleen te liggen op vrije plaatsen.